22 maart 1811 - 22 april 1857
De Amsterdammer Isaäc Warnsinck was een zoon van de suikerraffinadeur, dichter en schrijver W.H. Warnsinck. Isaäc toonde al vroeg belangstelling voor de bouwkunst, en maakte als jongeman enkele studiereizen door Europa.
In 1838 vestigde hij zich als zelfstandig architect in Amsterdam. Hij kreeg aanvankelijk vooral opdrachten van particulieren. In 1845 werd hij ook architect-adviseur van het ministerie van Justitie. Voor het ministerie ontwierp hij de eerste cellulaire gevangenissen van Nederland: aan de Weteringschans (gereed 1850) en aan het Wolvenplein in Utrecht (gereed 1856).
Warnsinck nam actief deel aan het debat over architectuur. Hij was bestuurslid van het genootschap Arti et Amicitiae, betrokken bij de oprichting van de Maatschappij tot Bevordering der Bouwkunst (1842) en publiceerde geregeld in de Bouwkundige Bijdragen, het tijdschrift van de Maatschappij. Hij schreef onder meer over de begrippen waarheid en karakter. Het eerste behelst dat vorm en constructie samen dienen te hangen (dus bijvoorbeeld geen neppilaren); het tweede dat een gebouw moet uitstralen wat het is (een station is geen stadhuis).
In 1851 werd hij lid van de gemeenteraad. Van 1854 was hij wethouder van Publieke Werken. Hij wees toen collega-architect Godefroy aan als vervanger voor zijn architectenpraktijk.
Door ziekte kwam in 1856 een einde aan het wethouderschap van Warnsinck. Hij overleed in 1857 en liet een vrouw (Jacoba Johanna de Vos) en twee kinderen na.